Bye, bye…Koeievlaai !

Af en toe schreef ik hier al eerder over mijn wederwaardigheden tijdens de oppasuren die we met onze kleinkinderen mogen doorbrengen. U kunt de verhaaltjes teruglezen onder de rubriek ‘Opa Krijn’ in de rechter zijlijn van dit blog.

Ook nu zou ik graag een paar ‘high-lights’ willen delen, hoewel ik me er van bewust ben dat het toch best wel een lang verhaal is geworden. Nou ja,  scroll anders maar even gauw door de foto’s , ook goed!

Iedere vrijdag is het vaste prik, wanneer we drie – en soms zelfs vier – van deze heerlijke donderstenen een dag over de vloer hebben. Het gaat om een rondkruipertje Job van nog géén één , twee peuters Julia en Pepijn van drie en als onregelmatige toegift de zevenjarige Luka.

Tegenover de geringe ongemakken van toetende oren, vet bevingerde ramen en een explosie aan rondgezaaide brood-  en koekkruimels, staan de talloze kostelijke momenten die zij ons bezorgen en die we voor geen goud zouden willen missen. Het is het soort entertainment waarbij de acteurs niet hun best doen maar vooral – naturel-  zichzélf zijn in een huiselijk decor waarin door ons van te voren wat kostbare ‘relikwieën’ en breekbare attributen om veiligheidsredenen naar een hoger plan zijn getild.

Om u een beetje ‘n beeld te geven van wat er zich op zo’n oppasdag afspeelt aan vaste handelingen en rituelen en éven zoveel onvoorspelbare situaties – licht ik, in chronologische volgorde, een tipje van de luier op.

Reeds vóór hun binnentreden wordt vanuit een speciale, daarvoor bestemde opslagruimte door mijn vrouw een compleet ingericht poppenhuis, een theatertje, ’n postkantoortje, een winkel in levensmiddelen en een fel gekleurde keukeninrichting in de kamer gesleept. Naast een bonte verzameling brandweerkazernes, hobbelpaarden en parkeergarages komen ook de wagentjes met zorgvuldig toegedekte poppenkinderen tevoorschijn alsmede enkele half of in het geheel niet aangeklede poppen die er dan ook nogal kleumerig uitzien en er de hele ochtend wat slordig bij liggen. Het is maar helemaal de vraag óf en wát er uit al dat aangezeulde materiaal zal worden benut, want niets is zo veranderlijk als de speelwens van een kind! 

De in de kast gereed staande kisten waarin onder meer playmobiel, lego, blokkendozen, knex en knikkerbanen liggen opgetast, komen ook regelmatig tevoorschijn. Dit echter voor separaat gebruik en alleen op nadrukkelijk verzoek, want hun chaotisch op de vloer uitgespreide inhoud draagt bepaald niet bij aan het toch al wat onoverzichtelijk karakter van zo’n dag.

Het begrip ‘binnentreden’ dat ik hierboven hanteer, verdient enige nuance omdat eerder van een ongecontroleerd  ‘binnenstormen’ kan worden gesproken, waarbij er niet of zelden wordt gegroet. Sociale antennes hebben ze bepaald nog niet. Jólig zijn ze dan al wel en vertonen meteen dat typisch soort kindergedrag, waarbij ze zich eerst maar eens wat stuur- en besluiteloos in de bank laten vallen en een rondje door de kamer trekken terwijl er links en rechts en volkomen zinloos in een toevallig daar aanwezig knopje, beeldje of stoelleuning wordt geknepen waardoor ze doen denken aan oude mensjes die op de markt eerst even komen voelen of het fruit wel rijp is.

Een uitzondering op zo’n onstuimige start vormt de allerkleinste, die doorgaans als een tevreden prinsje in zijn Maxi-Cosi wordt binnen gedragen. Bij het eerste oogcontact en ons wervend “dááág, lieve kerel! “ en in weerwil van mijn stompzinnig “ben jij daar dan, ja? kóediekóediekóedie?”, breekt dat prachtige koppie toch open en zendt hij ons gedurende enkele seconden zijn prachtige lach. Direct daarop slaat hij de ogen abrupt neer en verzinkt weer in dat louter intern gerichte en diepe gedachtengoed van een nog-geen-éénjarige.

Maar niet voor heel lang want na óf voor de fles, mag ie los op die vloer waarop hij nog maar een paar weken geleden slechts ruggelings op een zacht kleedje naar boven lag te staren of houterig in wat boven hem hangende tingeltangeltjes kneep . Nu echter, is zelfs de sluiptijgerfase voorbij en kruipt hij overal moeiteloos en uiterst nieuwsgierig naar toe. Leuk voor hém, lastig voor ons want ó wat staan of liggen er een hoop spulletjes waar ie toch echt van af moet blijven. Maar het is juist zo lekker bijten in zo’n glazen kaarsenstander of zo heerlijk sabbelen aan al die uitnodigende stekkers en smakelijke oplaadkabeltjes. De ongetwijfeld in hem sluimerende, zeer muzikale aanleg uit zich in het telkens weer willen bespelen van mijn in een hoek staande gitaar, die de neiging heeft om bij de aanraking van zijn tappende handjes met veel geraas boven op hem te vallen. Ook weet hij in de wirwar van contactdozen onder mijn bureau moeiteloos het rode knopje te vinden waarmee in één keer  – en vaak tijdens het typen van dit soort lange epistels – alle stroom plotsklaps wordt onderbroken.

Wanneer ik hem als een door de wol geverfde  ME-er, geweldloos maar consequent, wegsleep uit die vreedzame, maar ongepaste sit-in-situaties laat ie dat doorgaans zonder enige vorm van protest toe. Eenmaal opgepakt hangt hij dan even als een vadsige poes met vier uitgestrekte pootjes, berustend op mijn armen. Je hóórt ‘m denken “ es kijken waar die man me nou weer eens gaat neerzetten “.  Meestal is dat in een hoekje waar hij éven volkomen tevreden blijkt te zijn met de nieuw verkozen positie tussen zacht, rond, verantwoord en knaagbaar speelgoed.  Na enkele heen-en- weer- schud-bewegingen en besabbelingen ter plaatse, tijgert hij al snel weer kwijlend van prettige voornemens terug naar de zojuist verboden zones. We slepen wat af met elkaar, maar al gauw wacht voor hem zijn ledikantje, waarin hij voor een paar uurtjes naar dromenland verhuist.

Voor de twee anderen is dan daar het koffiedrink-moment. Iets waar reikhalzend naar wordt uitgezien, waarbij zij uiteraard aan koek en verantwoorde ranja worden gezet. Dat laatste klinkt eenvoudig maar blijkt de laatste tijd ernstig gecompliceerd te worden, doordat we één zo’n trip-trapstoel hebben waar ze allebei evenveel aanspraak op maken omdat ze vinden dat ze de twee obligate IKEA-kinderstoeltjes al lang zijn ontgroeid. De oudste ziet in het feit dat zij al drie-en half is     (dat laatste op hoge toon uitgesproken, met de sterke nadruk op  ‘hááálf’ ),  en de ander nog maar drie,  voldoende argument om ons van de rechtmatigheid van haar vordering te overtuigen. Het leidt soms tot een huilerige woordentwist met van die verontwaardigde uithalen waarbij ze ons met veel misbaar en mimiek op hun vermeend gelijk proberen te wijzen. Een Salomon-oordeel onzerzijds blijkt uiteindelijk niet eens nodig  omdat de oplossing van het probleem rond de zetelverdeling door beide partijen zelf wordt aangedragen. Een vorm van spontane consensus waar veel volwassenen een voorbeeld aan zouden kunnen nemen en die hieronder in beeld is gebracht.

Na de middaghap daalt er een relatieve, maar korte rust neer, voornamelijk bewerkstelligd door de vertoning van een of ander kinderfilmpje waar de DVD-speler even voor aan mag. Met grote ogen en open monden worden de verrichtingen van Kikker en Muis en hun vriendjes gadegeslagen, waarbij opa vanzelfsprekend ook even de gelegenheid te baat neemt om zijn welverdiend uiltje te knappen.

De eerlijkheid gebied me te zeggen dat dit ‘welverdiend’ eigenlijk meer toekomt aan Oma Janneke. Want als ik weer in het ‘land der wakkeren’ terugkeer blijkt zij onderhand ernstig ziek en volledig in het verband op de als operatietafel dienende bank te liggen, waarop zij op dat moment door twee  volledig uitgemonsterde kabouter-artsen,  wordt bediend van injecties en krachtige bekloppingen en daarna diverse uitwendige, medische onderzoeken ondergaat.

Het duurt vanzelfsprekend maar éven of ook opa ligt – vol pleisters en verbonden – onder het mes op een soort provisorisch ingerichte EHBO- afdeling, waarbij er bij hem bloeddrukmetingen op kniehoogte en longonderzoeken rond de navel worden uitgevoerd. Ook krijg ik – onder lichte dwang – een overdaad aan denkbeeldige drankjes en gekleurde pillen van allerhande formaat en onbekende herkomst te slikken, waarvan ik die laatste overigens handig achter mijn rug weet weg te werken. Wanneer één van de doctoren op den duur met vaste hand wil overgaan tot het met kracht indrijven van een plastic scalpel in mijn gehoorgang, worden de grenzen van het toelaatbare overschreden. Ik herrijs dan – een plotselinge genezing veinzend – zonder medische instemming uit mijn ingezwachtelde positie. Ze vinden het wel in orde geloof ik, want het enthousiasme voor zo’n dokters-rol taant net zo snel als dat het op komt zetten. Binnen een minuut schakelen ze over op een andere fantasierijke bezigheid of ze gaan gewoon eens even lekker weer een potje dwaas rollebollen of een tijdje op hun hoofd staan. Bovengenoemde praktijk is slechts een greep uit het scala aan bijeen gefantaseerde beroeps-situaties waarin ook wij een – vaak lijdzame – rol mogen spelen. Zo schitter ik onder meer regelmatig als winkelklant, treinreiziger of restaurantbezoeker,  word ik soms zorgvuldig gepedicuurd en onderga geduldig talloze schoonheidsbehandelingen die tot mijn spijt tot maar weinig resultaat hebben geleid.  

Na theetijd is het de beurt aan de wekelijkse gang naar de markt en de supermarkt.

Baarden wij met ons rollend materieel aan buggy’s en kinderwagen vol blonde kinderhoofdjes aanvankelijk nog enig opzien in de buurt, inmiddels maakt onze kleine colonne op dat tijdstip al deel uit van het vaste Lopster straatbeeld. Op de markt wachten ze geduldig op het plakje van de kaasboer en knabbelen rustig op wat nootjes uit de nieuw aangeschafte nootvoorraad, maar in de supermarkt daarentegen wordt al snel weer om de mini-boodschappenkarretjes gevochten waarmee ze als bedreven klanten tussen de stellingen laveren tot ze mee mogen helpen bliepen bij de zelfscan-kassa.

Over de heen- én terugweg doen wij ongeveer vier keer zo lang als de gemiddelde voetganger omdat ze een gelijke verzameldrift tentoonspreiden op het gebied van plukrijpe madeliefjes, halve dennenappels, mooi gevormde steentjes, schelpen, takken en andere rondzwervende natuurproducten die dan uiteraard ook allemaal méé moeten. Met moeite laten ze zich ervan weerhouden om ook inktzwammen, platgereden veldmuizen en nauwelijks uitgedroogde pruimen aan de bagage toe te voegen. Van een goedhartige buurtbewoner kregen wij permissie om wekelijks per persoon één Lavendelbloem uit zijn rijkelijk gevulde tuinborder te mogen trekken, waaraan wij allen dan een poosje eendrachtig als ware parfumeurs staan te ruiken. Ze geuren heerlijk en we uiten dat dan ook met stemverheffing  en opgeheven neuzen. Opschieten doet het niet, maar het rustige tempo stemt wel tot nadenken. Wij stelden vast dat wij als ouders vroeger alleen in de vakantie ons dit type slakkengang konden veroorloven, omdat er doorgaans altijd wel een vorm van tijdsdruk bestond  om ergens niet te laat te komen of om nog nét tijdig iets te kunnen doen.

Nee, dán dit heerlijke pensionado-bestaan, waarbij het niet aankomt op een kwartiertje meer of minder en we alle tijd hebben om ons mét die kleinen te kunnen verbazen over al dat moois dat zo maar langs de weg gratis voor het grijpen ligt.

Uiteindelijk tóch thuis gekomen, nadert dan het tijdstip waarop ze door hun ouders weer worden opgehaald. Soms wacht hen een enthousiaste begroeting waarbij de bonte voorraad aan knutselwerkjes, tekeningen en verzameld straatvuil trots aan papa of mama ter hand worden gesteld maar éven vaak komt de terugreis hélemaal niet uit omdat ze dan nét weer met rode hoofden in een of ander spel zijn verwikkeld en wordt er heftig geprotesteerd tegen het voorgenomen retourtransport. Er is geen peil op te trekken.

Maar onverbiddelijk komt het moment waarop de jassen en schoenen weer aan moeten, de tassen worden ingepakt, de auto’s  volgeladen en het uitzwaaimoment is aangebroken. 

‘Dááág, opa en oma’ !  ‘Dááág, schatten’!  Knuffel!  Bye, bye Koeievlaai!

Als ik weer binnenstap drijft soms zomaar een psalmenflard in me naar boven “ De stilte zingt u toe o Here, in uw verheven oord”, want binnenshuis blijkt een zalige deken van ongekende rust te zijn neergedaald. Dat ‘verheven’ aspect verdient dan wel weer enige tempering vanwege de aanblik van de met hagelslag en broodkorsten bestrooide keukenvloer en de nog compleet op zijn kop staande woonkamer. Daar moet dus nog wél even het een en ander aan gebeuren. 

’Hai hai, ‘t zwait stait joe veur de kop’ na zo’n dag, maar over een paar jaren zien we vast met weemoed op deze kostelijke ogenblikken terug.

Jazeker heb ik méér kleinkinderen in diverse stadia van groei en ontwikkeling. Over het in aanvang genoemde zevenjarige manneke schreef ik eerder al enkele blogjes. Dan is er nog ’n twaalf jarige heerlijke pre-puber, een zestienjarige krantenbezorger met baard in de keel en een negentienjarige die zelfs zo heel af en toe even met de auto en vriendin langs komt.  Ze zijn me allen evenveel lief, maar het hoeft geen betoog dat met name dat korte Jip- en Janneke- tijdperk een van de aller charmantste perioden is en een van de aandoenlijkste leeftijdsfases omvat.

Daarom schrijf ik er soms ook zo graag (en lang) over én krijgen we er voorlopig ook nog geen genoeg van. 

Op naar volgende week vrijdag!

One thought on “Bye, bye…Koeievlaai !

  1. Hoi Krijn, haha, zoooo herkenbaar. ‘Simson, de Filistijnen over u’. We zien het zo voor ons. Eén voordeel: aan het eind van de rit is het meeste ‘schone rommel’ en kan het tot nader order zo weer terug in het archief. Geniet nog maar van die baliekluivers zolang het kan.

    Gr. Ineke

Reageren? Graag ! Schrijf hier onder ...