” Tein, tein !..”
Een van de vele aangenaamheden die het leven in gepensioneerde staat voor ons met zich mee brengt is toch wel het feit dat we extra veel tijd met de kleinste kleinkinderen kunnen doorbrengen. In ons geval krijgt dit gestalte doordat we op de vaste vrijdag als oppas mogen fungeren voor deze heerlijke rakkers, waarbij opa en oma niet alleen garant staan voor de basale zorg- en welzijnsaspecten maar ook voor het broodnodige entertainment waar wij dan ook letterlijk en met liefde alles voor uit de kast halen. Niets schenkt een opa- en omahart meer voldoening dan schaterende lachjes, pretogen en schudde-buikjes.
Eén van de terugkerende vermakelijkheden die zich op vaste tijden aandient wordt echter extern geserveerd via de Arriva-trein, die om het half uur aan de horizon bij Stedum opdoemt en even later zoevend en vice-versa, een paar honderd meter verderop passeert. Hoewel die flitsend-blauwe verschijning dus tientallen malen per dag voorbij glijdt, brengt deze vanuit de verte naderende attractie hen alsmaar opnieuw in een zalig soort verrukking. Dan worden wij – alsof het ons weer eens volkomen ontgaat – met opgeheven wijsvingertjes en verwachtingsvolle ogen scherp attent gemaakt op de komst van dat machtige voertuig en na hun gezamenlijk aangeheven “ téin.. téin!” staan ze allebei voor de zoveelste maal voor het raam uitbundig te zwaaien naar een nietsvermoedende machinist en een stel ingedutte forenzen.

Omdat hun afzonderlijk bioritme niet geheel gelijk loopt, komt het voor dat de één een slaapje moet doen en de ander een poosje door opa vermaakt moet worden en zo komt het dat ik op een van de afgelopen dagen een stukje met Pepijn op de fiets richting Zeerijp fiets. Uiteraard zien we tijdens het tochtje van alles wat even moet worden aangewezen, benoemd en nagedaan. Ondanks dat zijn leerontwikkeling en vocabulaire, vergeleken met zijn half jaar ouder nichtje Julia, zich in een priller stadium bevindt weet hij toch al met moeite en niet erg consistent- een ‘waf’ van een ‘mauw’ te onderscheiden maar het zwart-witte beest in de wei wordt wel degelijk met iets van ‘oe..’ aangeduid. Dat hij even later een beetje door de mand valt door de in het veld aanwezige oogstwerktuigen consequent als ‘ téin’ te typeren zij hem vergeven. Het is ook enorm ingewikkeld!
Naast het goedmoedig ondergaan van opa’s flora- en faunalessen, vind hij het geloof ik ook wel aardig wanneer ik tijdens het fietsen grappige kinderliedjes aanhef. U voelt de twijfel wel aan in bovenstaande zin, omdat hij meestal wel geneigd is enigszins mee te klappen, te wiegen of de handjes kortdurend naar het hoofd te bewegen tijdens het ‘.. op je kleine bolletje allebei’, zo varen de scheepjes voorbij’ maar het kan evengoed voorkomen dat hij tijdens het ‘twee emmertjes water halen’ er voor kiest om bewegingsloos te blijven en dat zijn grote blauwe ogen tijdens opa’s galmend gezang alleen maar in de verre verten staren. Zijn gedachten lijken dan opeens duidelijk ergens anders te zijn en hij geeft de indruk nu even liever niet in zijn overpeinzingen te worden gestoord.
Dat geeft mij ook de tijd om eens wat langer na te denken over de toch wel vrij stompzinnige tekst die ik met dit kinderlied over zijn argeloze hoofdje uitbraak.
Twee emmertjes water halen, twee emmertjes pompen, de meisjes op hun klompen, de jongens op hun houten been, rij maar door mijn straatje heen..Van je ras, ras, ras rijdt de koning door de plas, van je oort, oort, oort rijdt de koning door de poort, van je erk, erk, erk rijdt de koning door de kerk van je een,twee, drie!

Kijk, het eerste gedeelte gaat nog wel en is niet geheel van enige logica ontbloot hoewel die jongens op hun houten been het er best wel heel lastig mee gaan krijgen natuurlijk. Maar dan komt die koning ook nog eens ongecontroleerd door een plas aangereden en begint het gedonder. Dat de dichter er nou niet bepaald als een Vondel mee uitblinkt en er zich qua rijmwerk een beetje met een Jantje van Leiden van afmaakt door dat ‘ras, ras, ras’ en ‘erk, erk, erk’ is nog tot daar aan toe maar daarna ontspoort het verhaal volledig;
Want van enig verband met de water halende meisjes en de voort klossende jongens is plotseling geen enkele sprake meer. Toegegeven, je kunt als koning onder het rijden natuurlijk niet altijd elke plas vermijden, maar moet je daarna, wanneer je eindelijk door die poort bent, met je hele gevolg dan ook nog eens dwars door die kerk denderen? Eerst een beetje door die plassen jagen en daarna in het gangpad van het Godshuis een enorme troep aan straatvuil achter laten! Zoiets tart toch elke verbeelding?
Nou ja het liedje eindigt daarna vrij betekenisloos op ‘van je een, twee, drie!’ Waaraan ikzelf steevast ‘’hatsjie!’ toevoeg, hetgeen natuurlijk ook nergens op slaat en op zich ook geen poëtische vondst van betekenis is, maar toch.
Nadat Pepijn en opa uit hun fiets-overpeinzingen zijn ontwaakt, laten we de liederen voor wat ze zijn en houden wij ons weer een poosje aangenaam bezig met het oefenen op het juist benoemen van diverse vee-soorten en landbouwvoertuigen. Hmm..het gaat nog niet heel best.
Maar wanneer we eindelijk thuiskomen zien we ‘m opeens in de verte onmiskenbaar op het spoor verschijnen…
“ Téin!”
En die is dan wel weer helemaal goed !!!


Dat wordt straks uitleggen hoe alle trekkers heten met bv gele wielen….
Heerlijk! Wacht tot je ze voor het eerst écht met een trein laat reizen. Ik herinner mij als de dag van gisteren dat ik met mijn twee jonge zoontjes van vier en vijf en met oma naar zee treinde. Mijn man bracht neefjes met de auto naar een jeugdkamp aan zee en wij zouden elkaar daar treffen. De medereizigers genoten mee met het enthousiasme van de jongens die ogen tekort kwamen.